Verwondering van een peuter
‘Waarom heeft de mall hier geen dak?’
We lopen op de markt, langs de winkels, en Kobus kijkt haar ogen uit.
Ze praat volop, vrijwel non-stop.
Ze observeert, en vraagt.
‘Ik zie Sinterklaas op die winkel. En zwarte Piet. En die winkel heeft ook een zwarte Piet. Waarom, mama?’
‘Het is koud in Nederland, hè? Daarom moet ik mijn dikke jas aan.’
‘Waarom fietst die meneer? En die mevrouw? En kijk, die mevrouw heeft een kindje op de fiets. Mama, kijk, kijk nou.’
‘Hagelslag hebben wij niet in Amerika, toch?’
In de auto gaat het verder.
‘Papa, ik zie koeien. En paardjes.’
‘Ik zie een molen. Ik zie een molen!’
‘Waar is onze auto? Dit is niet onze auto, toch?’
‘We gaan naar huis, maar dat is niet ons echte huis.’
‘Mama, waar is mijn school? Mama, waar is mijn vriendin L.? Mama, waar is juf Heather?’
‘Waar wonen jouw opa en oma, mama?’
‘Toen sliep ik heel diep en moest jij mij wakker maken. Ik was heel diep in slaap. Want ik was in het vliegtuig.’
‘Mam. Mama. Mamaah. De radio spreekt ook Nederlands.’
En we hebben nog twee weken te gaan.
Te beginnen met morgen, het huis van Sinterklaas!









































