De melkboer is weleens op reis. Meestal voor zijn werk.
En soms combineert hij werk en plezier.
Zoals over drie weken.
Want dan gaat hij naar Nederland. En dat gun ik hem natuurlijk van harte.
Zijn papa, mama en vrienden bezoeken. Een terrasje pakken in Nijmegen. Lekker Nederlandse dingetjes eten en televisie kijken.
Terwijl ik dan heel gezellig hier alleen de hele dag ga zitten huilen met Kobus en mijn vriendinnen de boel op stelten zet.
Op reis bezoekt de melkboer vooral andere melkboeren. En melkfabrieken.
Hij netwerkt. En bespreekt markten.
Zodat hij straks van achter zijn melkboerenbureautje betere deals kan sluiten.
Meestal reist hij ergens naar the middle of nowhere.
Want daar zitten ze. De melkboeren.
Wisconsin. Minnesota. Of één van die andere vage onbekende staten in the middle of the US of A.
The middle of nowhere bestaat daar nog echt.
Van die deadzones. Waar je geen bereik hebt met je mobiel. Zoals dat tien jaar geleden in Nederland nog weleens voorkwam.
En ok, ik geef het toe. Ik klaag heel vaak af en toe.
Over dat de melkboer nooit iets doet in het huishouden. En met Kobus.
En dat ik het maar druk vind.
Full-time werken en moeder zijn.
Maar als hij er niet is, dan merk ik ineens dat hij toch weleens iets doet.
Zoals op maandag thuis werken. En op de andere dagen Kobus ‘s ochtends naar de opvang brengen.
En ja. Hij verschoont ook af en toe een poepluier. Of zet de vuilnis buiten, doet boodschappen of kookt eten.
En daarom zou het fijn zijn, als hij weer naar huis kwam. Niet omdat ik hem mis.
Maar gewoon, zodat hij zijn echtelijke plichten huishoudelijke taken weer kan vervullen.